'Vroeger kocht je nog in 2 weken een huis'

 

Bien, een millenial in Mokum

Journalist Bien Borren (1993) durft haar eerste schreden op de huizenmarkt (nog) niet te zetten. Verhalen genoeg over de gruwelen van de oververhitte woningmarkt. Ze vindt het trouwens helemaal niet erg om te huren, maar ze weet wel: het kost geld en levert weinig op. In deze serie belicht ze het wel en wee van de getergde huizenzoeker.

'Vroeger kocht je nog in 2 weken een huis'


‘Je mag ook weer bij ons komen wonen hoor,’ zegt mijn moeder grappend – hoop ik. Mijn ouderlijk huis opnieuw betrekken, dat ben ik voorlopig niet van plan. Zo hoog is de ernst ook niet. ‘Vroeger gebeurde het anders heel vaak. Zeker na de Tweede Wereldoorlog, toen was er een enorm huizentekort en kwamen de kinderen thuis wonen. Tussen de schuifdeuren,’ mijmert ze verder.

Dat haar oudste dochter op dit moment geen huis kan kopen, baart mijn moeder geen zorgen. Ik ben immers niet op zoek en heb een fijn dak boven mijn hoofd. Hetzelfde geldt voor haar 2 zoons: haar kinderen zijn op het droge wat betreft een optrekje. Dat we huren is eveneens geen bron van frustratie. In onze levens passen de maandelijkse lasten van een hypotheek niet en bovendien willen we nog niet aan een en dezelfde plek gebonden zijn.

‘Ik zou het heel verdrietig vinden als jullie de stad uit worden gedreven,’ zei mijn moeder

Maar hoe zit dat over 3 of 4 jaar? Als er misschien wel behoefte is aan een vast onderkomen? Met de aanhoudende gekte op de huizenmarkt zal het er in Amsterdam waarschijnlijk niet heel anders uitzien: onwijs veel geld voor onwijs weinig vierkante meters. En hoe moet het dan met haar kroost? ‘Ik zou het heel verdrietig vinden als jullie de stad uit worden gedreven.’

Woonboot in de Kinkerbuurt

Als ik mijn ouders vraag naar waarom zij 25 jaar geleden besloten een huis te kopen, is het antwoord simpel: het was vanzelfsprekend en logischerwijs de volgende stap. Ze huurden destijds een woonboot in de Kinkerbuurt en toen mijn moeder in verwachting raakte van mij was het evident dat ze aan wal gingen. ‘Jij kwam eraan,’ zegt ze nu, een kwart eeuw later. ‘We moesten gaan kopen. Dat werd ons door ouders en schoonouders ook wel duidelijk gemaakt. Het lanterfanten was afgelopen.’

Ik ben opgegroeid in een rijtjeshuis met een fikse tuin in de Watergraafsmeer, in Amsterdam-Oost. Mijn komst deed mijn ouders investeren in bakstenen. Dat ging misschien niet over één nacht ijs – ‘Het blijft de grootste uitgave die ik ooit in mijn leven heb gedaan,’ aldus mijn vader – maar enorme hoofdbrekens leverde het hen niet op. Dat ze een huis in de stad waar ze wilden wonen, zelfs in de buurt die ze op het oog hadden, konden kopen: dat leverde geen problemen op. ‘Ik heb wat betreft de financiën wel wakker gelegen,’ zegt mijn vader. ‘De hypotheek was een flinke verplichting. De rente stond toen heel hoog, dus daar was je maandelijks een hoop geld aan kwijt.’

Hoe anders gaat het nu. Als je de financiën al rond krijgt, is het nog maar de vraag of je überhaupt een huis vindt wat je kan bekijken, laat staan of je de kans krijgt een enigszins gangbaar bod te doen.

Is het huis van mijn ouders mijn enige kans op een woning in de hoofdstad?

Vroeger

Mijn ouders kochten het 2e huis dat ze bezichtigden. Dat was binnen 2 weken nadat ze hadden besloten het huren vaarwel te zeggen en hun geld in stenen te steken. Lees het vooral nog eens: ze kochten een huis van 100 vierkante meter met een even zo grote tuin in de lommerrijke Watergraafsmeer binnen 14 dagen tijd, voor een bedrag waar je vandaag de dag nog geen bezemkast voor kunt krijgen.

‘Het ging inderdaad razendsnel,’ zegt mijn moeder nu. ‘Maar daar keken we toen niet van op.’ Ze hadden gemakkelijk een hypotheek gekregen, en mijn grootvader verstrekte een extra lening van ƒ 30.000 – het financieel bijspringen van ouders is dus niet echt een nieuw fenomeen. Nog altijd wonen ze in dit huis, nadat ze er hun 3 kinderen hebben grootgebracht.

Niet tussen de schuifdeuren

Soms zeg ik gekscherend dat het huis van mijn ouders mijn enige kans op de Amsterdamse woningmarkt is. Maar zij zullen niet gauw vertrekken – en tussen de schuifdeuren wonen zie ik (nog) niet echt zitten. Of ik Amsterdam ooit verlaat omdat ik elders meer vierkante meter voor hetzelfde bedrag kan krijgen, weet ik niet. Ik hoop vooral dat de stad bewoonbaar kan blijven, en daar ben ik niet alleen in. Mijn vader is van mening dat jonge Amsterdammers de kans moeten krijgen iets betaalbaars te kunnen kopen. Of ze moeten blijven huren, maar ook die prijzen moet schappelijk blijven. ‘Anders verliest Amsterdam een heel goede en belangrijke groep mensen.’ En zo is het maar net.

Meer binnen dit onderwerp